Graffiti in de Berenkuil. Eindhoven kent levendige subculturen rond popmuziek en beeldende kunst. © Fotopersburo van de Meulenhof bv

Stad kijkt naar te grote jongens

OPINIE | ED 17-01-2020 
De auteur Bas van Stokkom woont in Eindhoven en is socioloog aan de
Radboud Universiteit Nijmegen. Hij vindt dat Eindhoven geen wereldspeler is
en zich niet moet spiegelen aan grote steden als Helsinki en München.

Bas van Stokkom 17-01-20

Tot 29 januari heeft iedereen de mogelijkheid een zienswijze op de omgevingsvisie
voor Eindhoven: kloppend hart van Brainport te geven. Dat is mooi. Maar het is een
wonderlijk document. De lezer wordt op erg veel promotietaal getrakteerd. Termen
als ‘economische wereldspeler’ en ‘toplocatie’ worden overvloedig gebruikt en het
wemelt van clichés als ‘internationale hotspot’ en ‘gastvrije en bruisende stad’.

De verkoopstrategie druipt er soms vanaf. Bijvoorbeeld: ‘Iedereen moet zich welkom
voelen in een stedelijke, groene omgeving die internationale allure uitstraalt’. De
doorgroei van de stad wordt als onstuitbaar voorgesteld. Tegelijk wordt gezegd dat
de stad internationaal concurrerend dient te blijven. Deze neoliberale formule – angst
de slag te missen en achterop te raken – lijkt te fungeren als retorische aansporing
voor een verdere vlucht naar voren.

Al met al is de visie overambitieus geformuleerd, toegelicht vanuit het perspectief van
citymarketing. Nu is juich- en jubelproza kenmerkend voor veel gemeentelijke notities
over de toekomst van de stad, maar je zou denken dat een omgevingsvisie geen
verkooppraatjes zou mogen bevatten. Enfin, tekenend is dat burgemeester John
Jorritsma tijdens zijn nieuwjaarspeech Eindhoven alvast een metropoolstatus
toedichtte.

Relativeren
Het kan geen kwaad dieper op de omgevingsvisie in te gaan en enkele centrale
aannames te relativeren. Allereerst dekt de visie veel belangentegenstellingen toe en
blijft reflectie op mogelijke spanningen tussen de geformuleerde opgaven en ambities
achterwege. Zo worden hoogbouw en een groene stad wel heel gemakkelijk met
elkaar vereenzelvigd en blijft de vraag hoe ‘loslaten van regels’ voor toplocaties en
verduurzaming van die locaties zich tot elkaar verhouden, onbeantwoord.

De visie suggereert ten onrechte dat bevordering van een internationale
brainportstatus automatisch zal resulteren in een levendige stad. Zo wordt vrolijk
gesteld dat hoogbouw de stad een ‘hoogstedelijk karakter’ zal geven, een centrum
‘waar gedurende de hele dag reuring is’.

Dan de term wereldspeler. De vraag is wat Brainport tot een internationale koploper
maakt. Natuurlijk, ASML is mondiaal marktleider en als het gaat om aanvraag van
patenten scoort onze tech-hub internationaal heel goed. Maar dat neemt niet weg dat
Eindhoven – ondanks de recente groeispurt – internationaal bezien een relatief kleine
stad is en bepaald geen metropool.

Toch spiegelt de stad zich aan grote tech-jongens als München en Helsinki. Voor de
goede orde: München heeft 1,5 miljoen inwoners, Helsinki 600.000 (agglomeratie: 1
miljoen). Ook al blijft Eindhoven de komende decennia verder groeien, die cijfers
kunnen binnen pakweg een halve eeuw nooit benaderd worden. Reëler is dat de
stad zich zou spiegelen aan groeiende tech-hubs van vergelijkbare omvang, zoals
Karlsruhe (300.000) of Aken (240.000).

Vergelijkbare steden
Ook bezien vanuit het oogpunt van een vitaal stadsleven is het interessant
vergelijkbare steden als referentiepunt te nemen. Een goed voorbeeld is het Finse
Tampere (235.000 inwoners; agglomeratie: 500.000), net als Eindhoven een
voormalige industriestad waar hoogbouw nagenoeg ontbreekt. Tampere is de laatste
kwart eeuw overgeschakeld op high tech, onder meer telecommunicatie (Nokia) en
gezondheids- en biotechnologie, en herbergt 40.000 studenten, twee keer zoveel als
Eindhoven. Er is ruim voorzien in alfa- en gamma-opleidingen, wat een belangrijke
reden lijkt te zijn voor de levendigheid van de stad. De aantrekkingskracht van
Tampere heeft ook te maken met een relatief kleinsteeds gevoel en een vriendelijke
sfeer op straat. De authenticiteit van deze Finse stad maakt duidelijk dat de bouw
van prestigieuze torens allerminst noodzakelijk is om een levendig stadshart te
genereren.

Wat stedelijkheid betreft zegt het visiedocument dat ‘de stad stadser (moet) worden
en het land landelijker’. Mooi gezegd. Maar om stedelijkheid te genereren is
functiemenging – wonen, werken en ontspannen – niet genoeg. Ook groene
ontmoetingsplekken zeggen op zich weinig over een stadse signatuur. Sociologisch
gezien duidt ‘stedelijkheid’ op ongedwongen samen een publieke ruimte delen,
relaxte ontmoetingen met vreemden, het intact laten van verschillen en bevrijd zijn
van sociale cohesie. Voorwaarden daartoe zijn een zekere rommeligheid, de
aanwezigheid van afwijkende groepen zoals skaters, muzikanten en daklozen, en
kleinschalige commercie waaronder straatventers. Deze voorwaarden sluiten
bepaald niet aan op het wensenpakket van het stadsbestuur: verdere gentrificatie en
bouwen aan een ‘stad van allure’, inclusief iconische torens.

Beeldbepalende eenlingen
Stedelijkheid vereist dat er doorlopend culturele en kunstzinnige activiteiten gaande
zijn. Hoewel Eindhoven levendige subculturen heeft rond popmuziek en beeldende
kunst is de stad dun bezaaid met film- en theatermakers en literatoren, en blijven
Theo Maassen en René Daniels beeldbepalende eenlingen. Het ligt voor de hand
meer te investeren in Eindhoven als kunst- en cultuurcentrum en daartoe
opleidingscentra in huis te halen of te versterken. Alle kaarten zetten op een verdere
uitbouw van technologische kennis en bedrijvigheid versterkt het eenzijdige profiel
van een bèta-stad. Dat is riskant, want technici zijn minder snel te porren de reuring
van het publieke domein op te zoeken. Voor expats is dat sowieso het geval: zij
verkeren liever in eigen kring.

Eindhoven gaat gebukt onder ‘affluenza’, het geloof dat de Brainport een Brabants
utopia zal brengen. Die koortsige euforie is kenmerkend voor elke periode van
onstuimige economische groei waarin de bomen tot aan de hemel lijken te groeien.
De econoom Keynes sprak over ‘animal spirits’ die de realiteit van kapitalistische
‘booms and busts’ naar de achtergrond dringen. Te hopen is dat het stadsbestuur
meer realiteitsbesef toont, de ambitie van Metropolis laat varen en de menselijke
maat van de stad herontdekt. Eindhoven is geen wereldspeler en hoeft dat ook niet
te worden om een aantrekkelijke toekomst tegemoet te gaan.